Een goed BIM model opbouwen

goed BIM model opbouwen

Veel bureaus denken dat ze een goed BIM model aanleveren. Inderdaad kom ik vaak BIM modellen tegen die er goed uit lijken te zijn, totdat je je verdiept in het project. Disciplines blijken niet goed op elkaar afgestemd, details corresponderen niet met het model en families functioneren niet goed of bevatten niet de juiste informatie. Toch lastig dus om op een efficiënte manier een goed BIM model op te bouwen. Gelukkig geeft het Nationaal BIM handboek een aantal handvatten…

BIM proces

Om te beginnen zul je het proces goed moeten inrichten. Vanaf het definitief ontwerp dienen de deelmodellen consequent met elkaar geclasht te worden. Tweewekelijks, door een BIM manager, met een duidelijk BIM protocol. Alle partijen exporteren naar IFC-formaat, en er wordt gecommuniceerd middels BCF. Dit zijn screenshots met tekst en uitleg, waarbij interactie tussen partijen mogelijk is. Je kunt bijvoorbeeld aangeven wie de actie heeft, dat je de clash hebt opgelost, of juist niet. In dat laatste geval kun je ook aangeven waarom je iets niet hebt kunnen oplossen.
Een BIM traject start met het vastleggen van een gezamenlijk nulpunt, zodat de aspectmodellen altijd exact op de juiste plaats ten opzichte van elkaar liggen. Meestal ligt dit punt op een afgesproken afstand van kruispunt 1-A in het assenstelsel. Dit assenstelsel wordt ook vastgelegd, evenals het gebouwpeil en de peilniveaus van de bouwlagen.
Wat vooral bij een groter project helpt om efficiënt te werken, is het model op te delen in deelmodellen (batches). Als het team zich focust op dit kleine deelmodel en hierop clashes uitvoert, zullen vanzelf oplossingen vastgelegd worden die gelden voor het totale project. De rest van het gebouw is dan een kwestie van het toepassen van de uitgangspunten uit de eerste batch.

BIM en 2D detailleren

Detailleren blijft een lastig dingetje in een BIM model. Normaal werk je van grof naar fijn, waarbij je de details pas als laatste uitwerkt. Maar om enig houvast te hebben als je wilt beginnen met modelleren, heb je toch een aantal principedetails nodig. Dit kunnen schetsmatige details zijn, in combinatie met principes uit eerder uitgevoerde projecten.
Vervolgens is het een wisselwerking tussen het model en het detail dat daaruit ontstaan is. Het detail is immers niet meer dan een uitsnede uit het model. Deze uitsnede werk je in 2D verder op, waarbij het model wordt bijgeschaafd aan de hand van de detaillering en vice versa.
Inmiddels ben ik er wel achter dat je dit het beste in één pakket kunt doen. Misschien dat het verleidelijk is om details nog in AutoCAD uit te werken, maar gegarandeerd dat het model en de details uit elkaar gaan lopen omdat die niet aan elkaar gekoppeld zijn.

Modelleerafspraken voor een goed BIM model

Ook modelinhoudelijk zijn er strikte afspraken nodig om een goede uitwisseling mogelijk te maken en de juiste informatie uit het model te kunnen halen. IFC is daarbij het standaard uitwisselformaat en daarmee de opvolger van het DWG-formaat uit het 2D-tijdperk. Het doet soms wat administratief aan, maar de voordelen hebben zich in de praktijk al bewezen.

In het kort de headlines:

  • Alles wat je modelleert zijn objecten met een geometrie.
  • Het model wordt per bouwlaag opgebouwd, dus gevelmetselwerk dient bijvoorbeeld per verdieping gemodelleerd te worden. Alle objecten hangen aan de juiste bouwlaag.
  • Duidelijke benaming van objecten op basis van NL-SfB codering: <NL-SfB>_<IDbedrijf>_<omschrijving+dimensie>
  • Alle BIM objecten voorzien van NL-SfB codering, minimaal 4 cijfers.
  • Alle BIM objecten voorzien van een materiaal.
  • Alle BIM objecten voorzien van een <LoadBearing>: <true/false>.
    Hieruit blijkt of een onderdeel dragend is of niet. Normaalgesproken werkt de constructeur de dragende onderdelen uit, en de architect de niet-dragende.
  • Alle BIM objecten voorzien van een <IsExternal>: <true/false>. Ligt een onderdeel binnen of buiten de thermische schil.
  • Kozijnen en wanden voorzien van een <FireRating>: <0; 30; 60; 90; 120>.
    Zo wordt duidelijk waar de brandscheiding ligt. Laat er een filter op los en je hebt je brandtekening.
  • BIM onderdelen voorzien van een <AcousticRating>: <-10; 0; 10; 20; etc.>.
    Kozijnen en wanden met een akoestische eis.
  • Hanteer een praktisch detailniveau met hoofdmaten voor je profielen. Bijvoorbeeld de contouren van kozijnen en daktrimmen.
  • Generieke modellen krijgen allemaal de parameter IFCExportAs: mee, zodat je kunt bepalen hoe deze naar IFC geschreven moeten worden. Trappen zet ik bijvoorbeeld altijd op als Generic Model, en exporteer ik naar IFCStair. Zo zet je de brandeis om naar IFCFirerating en de akoestische eis naar IFCAcousticRating.
  • Sparingen maken met een “sparingmaker”-family. Erg handig in gebruik omdat je met één family de sparing van een complete spouwmuurconstructie kunt inregelen. En ook bijvoorbeeld lateien, vensterbanken en raamdorpelstenen erin kunt meenemen. Bijkomend voordeel is dat je het aantal sparingen kunt tellen, en daarmee is de aannemer weer geholpen.

Controle en export

Ik kan me voorstellen dat je tijdens het modelleren niet meteen oog hebt voor het toekennen van een NL-SfB-codering of een Firerating. Gelukkig kun je dan schedules maken, of zelfs 3D views met een filter. Zo kun je in één oogopslag zien of je de basisregels overal hebt gehanteerd en deze bijschaven alvorens je het model exporteert naar IFC.
Een aantal IFC export-basisregels kun je terugvinden op de website van OpenBIMmers, want het is wel prettig dat je modelinformatie ook goed meekomt in de export.
Hanteer je bovenstaande consequent, dan lijkt je model er niet alleen goed uit te zien, maar IS het ook een goed BIM model. Succes!